John Tabé hak door: 7 augustus 2026

Liberaal, totdat het tegenzit.

De vrije markt is een prachtig principe. Totdat de brug dichtgaat.

Dan verandert de overheid, die gisteren nog werd weggezet als log, duur en inhalig, ineens in de instantie die vooral snel moet overmaken. Een winkelstraat ligt open, een tunnel wordt gerenoveerd, de oogst mislukt door droogte, een overstroming zet een bedrijf onder water of een pandemie legt de economie stil. De telefoon gaat. Niet naar de bank of de aandeelhouder, maar naar de gemeente, de provincie of Den Haag. Compensatie. Nadeelvergoeding. Belastinguitstel. Een noodfonds.

En vaak is dat volkomen begrijpelijk. Tijdens de coronacrisis sloot de overheid bedrijven uit volksgezondheidsoverwegingen. Dan hoort daar ook financiële steun bij. Ook langdurige wegwerkzaamheden of overheidsbesluiten kunnen ondernemers onevenredig hard treffen. Een beschaafde samenleving laat mensen en bedrijven niet achteloos omvallen.

Maar juist daar begint een ongemakkelijke paradox.

Want zodra de storm is gaan liggen en de omzet weer stijgt, keert ook een vertrouwd refrein terug. Belastingen zijn te hoog. De overheid graait. Regels verstikken ondernemerschap. Er moet minder overheid komen. Alsof de miljarden aan steun, de onderhouden wegen, de versterkte dijken, de rechtspraak, de politie, het onderwijs en de zorg uit een parallel universum zijn komen aanwaaien.

We lijken een economisch model te hebben ontwikkeld waarin winsten moeiteloos worden geprivatiseerd, terwijl risico's steeds vaker worden gecollectiviseerd. Niet alleen bij kleine ondernemers, maar ook bij grote bedrijven, banken en sectoren die in goede jaren de markt prijzen en in slechte jaren de overheid ontdekken. De overheid is dan geen hinderlijke scheidsrechter meer, maar de aandeelhouder van laatste redmiddel.

Dat maakt ondernemers niet hypocriet. Iedere ondernemer die gebruikmaakt van een wettelijke regeling handelt rationeel. De echte vraag is waarom wij dit patroon als samenleving zo vanzelfsprekend zijn gaan vinden. Waarom accepteren we zonder veel discussie dat collectieve middelen de schade opvangen, terwijl dezelfde collectiviteit vervolgens wordt weggezet als kostenpost zodra zij haar voorzieningen moet financieren?

De waarheid is minder ideologisch dan beide kampen graag geloven. Er bestaat geen vrije markt zonder een sterke overheid. Bedrijven floreren dankzij infrastructuur, rechtszekerheid, onderwijs, gezondheidszorg en veiligheid. Geen vrachtwagen bereikt zijn klant zonder wegen. Geen contract is iets waard zonder een onafhankelijke rechter. Geen onderneming draait zonder werknemers die zijn opgeleid in publiek gefinancierd onderwijs.

Natuurlijk moet de overheid zuinig omgaan met belastinggeld. Natuurlijk zijn belastingverhogingen niet automatisch verstandig. Kritiek op inefficiënt bestuur is noodzakelijk. Maar geloofwaardige kritiek begint waar ook de eigen afhankelijkheid wordt erkend.

Misschien is dat wel de grootste economische misvatting van onze tijd. We spreken graag over ondernemerschap alsof succes uitsluitend het resultaat is van individuele inzet. Maar zodra het misgaat, blijkt hoe afhankelijk zelfs de meest overtuigde marktdenker is van de gemeenschap die hij gisteren nog te groot vond.

De overheid is geen graaier wanneer zij de rekening stuurt voor de reddingsboei. Zij vraagt alleen de contributie voor een vereniging waarvan opvallend veel mensen pas lid willen zijn als hun schip water maakt.

De politieke thermometer liegt>